Verhitte fietsers, overvolle terrassen en het einde van het mondkapje

Mondkapje in wc-potVandaag regent het. Snel, snel, snel nog even een boodschap doen. Met mondkapje op, winkel in en uit. Bij het kruispunt Ferdinand Bol Stadhouderskade kijkt een fietser me agressief aan. Hij heeft overduidelijk haast. Misschien is het de regen en wil hij droog thuis komen. Misschien op weg naar een van de gratis testlocaties, voor het feest vanavond. Opzij, opzij, opzij. Ik heb zo’n ongelofelijke haast. Thuisblijven is geen optie meer. De hectiek in het verkeer lijkt toegenomen, de mobiliteit komt weer lekker op gang. Het overvolle terras met well-to-do-millennials contrasteert scherp met de bedelaar die in het Engels om geld vraagt.

Ik weet niet hoe het met u zit; ik ben er niet gerust op. In Australië is weer een strengere lockdown vanwege de deltavariant, in Israël zijn in publieke binnenruimtes de mondkapjes opnieuw verplicht. Natuurlijk gun ik iedereen een geweldige slutty summer. Maar als ik al die volle terrassen, rijen bij de gratis testlocaties zie en verhalen over Albufeira hoor, hou ik mijn hart vast voor september. Opeens gaat het me te snel. Ik wil nog geen handen schudden, en drie zoenen al helemaal niet. Ik wil niet meer terug in mijn kot. Moeten we geen lessen trekken uit vorig jaar? Moeten we toch niet iets vasthouden, ook al zijn veel mensen gevaccineerd. Al is het maar wat meer verdraagzaamheid, solidariteit en medemenselijkheid.

In een mooi portret in Het Parool deelt Marleen Stikker, directeur van de Waag, de mensheid in twee categorieën. Ze spreekt van  werkelijkheidsmensen tegenover mogelijkheidsmensen. De eerste groep neemt de wereld zoals die is en gaat daarin optimaliseren, soms heel creatief en idealistisch. De mogelijkheidsmens daarentegen kan zich een wereld voorstellen die nog niet zichtbaar is en zoekt het in verandering en innovatie.

Later in hetzelfde interview geeft ze nog een tweedeling. ‘(…) Het gaat erom hoe je in het leven staat. De een gaat gedachteloos mee, de ander stelt zich vragen.’ Het gebruik van dit soort frames is retorisch een sterke zet, het dwingt de toehoorder om een keuze te maken. Behoor ik in de eerste categorie of maak ik deel uit van twee? Ga ik uit van de werkelijkheid en zoek ik naar kansen of kijk ik net even verder om de hoek naar nieuwe mogelijkheden. In de laatste tweedeling zet Stikker het frame net even scherper neer: neem ik gedachteloos alles zoals het zich aandient? Of ben ik een vragensteller? Gedachteloos klinkt ook weer zo jong en blond. Maar iemand die alleen maar vragen stelt, kan ook bloedje irritant zijn. Kom eens met oplossingen, zeggen we dan!

Het stoplicht springt op groen. De jonge agressieve Tom Dumolain sprint er vandoor. Terwijl ik hem na kijk, probeer ik hem in een van de indelingen in te passen. Is hij een werkelijkheidsmens en neemt hij de wereld zoals die is of zoekt hij naar nieuwe mogelijkheden? Waarom keek hij zo agressief? Ik behoor duidelijk tot de categorie vragenstellers. De fietser is al lang uit het oog verdwenen.

Even verderop passeer ik een paar jongens die me ook weer nadrukkelijk aankijken. Dit keer niet agressief, eerder uitdagend, alsof ze me willen uittesten. En dan opeens besef ik dat ik nog steeds mijn blauwe Adidas mondkapjes op heb. Ik lijk er aan gewend geraakt. Het biedt beslist bescherming tegen regen en kou, want zo warm is het nu ook weer niet. Zie je wel, ik stel vragen, maar denk ook in oplossingen.

Ik fiets verder. Het regent nog steeds.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *